Reacties

Waar die komen toch al dyslectische leerlingen vandaan?

In Nederland hebben meer leerlingen dan waar ook ter wereld dyslexie. In het voortgezet onderwijs poppen dyslectische leerlingen in groten getale op.

De meeste Nederlandse kinderen houden niet van een boek lezen. Ze houden zich liever bezig met social media zoals Snapchat en Instagram en kijken liever een filmpje op Youtube dan dat ze een boek openslaan. Minder boeken lezen resulteert in een opvallend lage woordenschat. Ook kunnen kinderen hierdoor minder snel lange teksten lezen en begrijpen, ze worden ‘leeslui’.

Leraren maken zich zorgen om de kinderen die hun proefwerken niet op tijd afkrijgen. Ze zoeken naar oplossingen. Ouders krijgen daarom het advies om hun kind te laten testen op dyslexie. Kinderen vinden dat niet per definitie erg; met een dyslexieverklaring krijgen ze extra tijd om hun proefwerk te maken. En het mooiste van alles: ze krijgen ook meer tijd tijdens hun eindexamens (conform Art. 55 Examenbesluit vo).

Dus ouders … we moeten de kinderen meer aan het lezen krijgen! Zelfs voorlezen draagt bij aan beter kunnen lezen. Daar zijn ze veelal beter mee geholpen dan met een diagnose dyslexie.

Themaonderzoek Dyslexie

Momenteel voert Onderwijsinspectie bij 200 basisscholen een themaonderzoek uit naar dyslexie. Ze richten ons in het onderzoek vooral op de verschillen in aantallen dyslexieverklaringen tussen scholen en op de mogelijke oorzaken daarvan. Hierbij besteden ze aandacht aan de kwaliteit van het technisch lees- en spellingonderwijs en aan andere factoren die mogelijk een rol spelen bij de diagnose dyslexie. De uitkomsten van het onderzoek rapporteren ze om eind 2018 in een landelijk rapport en in 2019 in het jaarlijkse rapport over de Staat van het Onderwijs.

Bron: onderwijsinspectie.nl

Weer een staking, ouders roeren zich in het debat

Een groeiende groep ouders roeren zich in het debat over het lerarentekort in het basisonderwijs. Ze tekenen petities, lopen mee in de demonstraties of verenigen zich. Daarmee willen ze de eisen van leraren (minder werkdruk en een hoger salaris) kracht bijzetten en tegelijkertijd opkomen voor de belangen van hun eigen kinderen.

Niet alle ouders scharen zich achter de stakingen. Uit peilingen van informatiepunt Ouders & Onderwijs bleek dat de draagkracht afneemt. Waar de eerste grote staking op 5 oktober nog steun kreeg van 83 procent van de ouders, nam die bij de staking in december af naar 48 procent. De eerste estafettestaking, op 14 februari van dit jaar, kon weer op 67 procent steun rekenen – mogelijk ook omdat de actie lokaal is en geen landelijke impact heeft. ‘De tendens is dat ouders het werkdruk-element steunen, maar minder begrip opbrengen voor de salaris-eis’, zegt Marieke Boon van Ouders & Onderwijs. Ze merkt bij ouders een groeiende behoefte om mee te denken en praten over oplossingen.

Bron: Volkskrant

Leidt schaduwonderwijs tot tweedeling?

Woensdag 8 maart jl. bogen Tweede Kamerleden zich over een rapport over schaduwonderwijs, zoals het aanbod van examentrainingen, bijles en huiswerkbegeleiding heet. De grote vraag: leiden de private diensten tot een tweedeling in de maatschappij?

Eerst de cijfers. Van alle vormen van schaduwonderwijs is bijles het meest populair: ruim een vijfde van de middelbare scholieren maakte hier vorig schooljaar gebruik van. Meer dan de helft daarvan was betaald. Op twee staat huiswerkbegeleiding, waar 17% van de leerlingen naartoe gaat. Ook hier is ongeveer de helft betaald.

Examentrainingen zijn vooral in trek bij havo- en vwo-scholieren. Een derde van de examenleerlingen volgde een betaalde training. In totaal heeft 31% van alle ouders met één of meer kinderen op de middelbare school voor schaduwonderwijs betaald.

Volgens Paul Bisschop van SEO Onderzoek, een van de auteurs van het rapport, betalen hoogopgeleide ouders vaker voor schaduwonderwijs dan laagopgeleide ouders. ‘Dat kan leiden tot ongelijkheid.’ Maar, voegt hij daar snel aan toe: ‘Kinderen van laagopgeleide ouders maken vaker gebruik van het onbetaalde aanbod van scholen. Dat lijkt elkaar in evenwicht te houden. Of er verschil is in kwaliteit en effectiviteit weten we niet.’

Verborgen privatisering

Louise Elffers van de Universiteit van Amsterdam doet al jaren onderzoek naar kansenongelijkheid in het onderwijs en waarschuwt voor ‘verborgen privatisering.’ Dat betekent dat scholen publieke onderwijstaken, zoals extra uitleg of voorbereiding voor een toets, overhevelen naar private partijen.

‘Je ziet dat private aanbieders via de achterdeur scholen binnenkomen’, zegt Elffers. ‘Scholen werken steeds vaker samen met private partijen voor de begeleiding voor leerlingen. Scholieren die bijvoorbeeld extra aandacht of begeleiding nodig hebben, worden door de docent bijvoorbeeld doorverwezen naar bijles.’

Elffers benadrukt dat het niet erg is als scholen met bedrijven samenwerken. Maar dan wel op een belangrijke voorwaarde: ‘Een school moet verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit en geen geld voor de begeleiding vragen. Dat is nu wel vaak het geval en dat is problematisch. Want als ouders niet kunnen of willen betalen, blijft een leerling verstoken van dit soort begeleiding.’

Bij SSL in Leiden volgt de helft van de 5000 deelnemers die de stichting jaarlijks helpt een training op advies van de school, zegt oprichter Hans Huibregtse. Mentoren sturen hun leerlingen zelfs brieven met informatie over het trainingsaanbod. Hij glimlacht. ‘Twintig jaar geleden werd SSL nog gezien als bemoeial.’

Leerlingen willen aandacht

Huibregtse kijkt met een gemengd gevoel naar de groeiende vraag naar zijn trainingen. De stichting hielp vroeger vooral leerlingen met een achterstand. Nu staat meer dan de helft van de deelnemers een voldoende.

Zijn conclusie: ‘Leerlingen willen feedback en persoonlijke aandacht. Dat kan het onderwijs momenteel niet altijd leveren door de hoge werkdruk, het lerarentekort en onvoldoende middelen. De samenwerking met aanbieders zoals wij kan een tijdelijke oplossing zijn. Maar het lost de structurele problemen in het onderwijs niet op.’

Onderwijskundige Elffers vindt de conclusie dat het reguliere onderwijs faalt te gemakkelijk.

‘Schaduwonderwijs is een symptoom van toegenomen competitie in het onderwijs. Het onderwijsniveau is steeds bepalender voor de rest van je leven. Ouders willen dus zeker weten dat de school alles uit hun kind haalt. Daar moeten scholen in meebewegen. De vraag die scholen, ouders en de Tweede Kamer zichzelf moeten stellen is: hoe voorkomen we dat schaduwonderwijs überhaupt nodig is? Want als schaduwonderwijs eenmaal standaard is, durven ouders en leerlingen niet meer zonder.’

De ‘huiswerkvrije’ school

Kunnen scholen het schaduwonderwijs te lijf gaan? Ja, zeggen ze op de Mavo Doorn. Sinds dit schooljaar is de school ‘huiswerkvrij’.

Sinds de wijziging is het aantal leerlingen dat naar een privaat huiswerkinstituut gaat afgenomen, zegt directeur Jenny Oldenhuis. ‘Het is eigenlijk raar dat zoveel leerlingen naar huiswerkbegeleiding moeten. Dat hebben we als persoonlijk falen opgevat. Want als school is het onze taak om leerlingen uit te leggen hoe ze kunnen leren. En dat is per leerling verschillend.’

Sinds de school ‘huiswerkvrij’ is, ziet het rooster er anders uit. Leerlingen hebben bijvoorbeeld negen tot vijftien ‘flexuren’ om huiswerk te maken, aan een docent extra uitleg te vragen over een vak of in stilte te werken. Algemene vakken zoals Nederlands duren voortaan 80 minuten in plaats van een uur. Oldenhuis: ‘Daardoor heeft een docent meer tijd om leerlingen te coachen.’

Klachten

Niet alle leerlingen vinden de verandering een succes. Na klachten is het aantal flexuren voor de bovenbouw gereduceerd naar vijf. Leerlingen hadden niet zoveel uur nodig of willen juist wel huiswerk thuis maken. Echt huiswerkvrij is de school dus niet.

De belangrijkste verandering is dat docenten nadenken over de vraag hoe ze leerlingen kunnen helpen om de lesstof te leren. Bijvoorbeeld door niet alles klassikaal uit te leggen, maar in groepjes te werken.

De veranderingen hebben geen geld gekost, zegt Oldenhuis. ‘Dit gaat niet om geld, maar om een andere manier van lesgeven. We hebben het onderwijs gewoon anders georganiseerd. Daar hebben scholen alle ruimte voor.’

Bron: FD – 7 maart 2018

Ruim helft ouders verwijt school gebrek aan aandacht

Meer kinderen krijgen bijles en begeleiding. Vooral hoogopgeleiden betalen hiervoor, zodat de kansenongelijkheid groeit.

Bijna eenderde van de ouders met kinderen op de middelbare school maakte vorig schooljaar kosten voor bijles, examentraining of huiswerkbegeleiding. Dat kostte naar schatting in totaal 185 tot 286 miljoen euro. Vooral kinderen van hoogopgeleide ouders krijgen betaalde extra begeleiding. Meer dan de helft van de ouders denkt dat hun kind geen bijles nodig had gehad als hij of zij meer persoonlijke aandacht op school had gekregen.

Dat blijkt uit onderzoek van SEO Economisch Onderzoek en Oberon naar het ‘schaduwonderwijs’ in Nederland, in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het is voor het eerst dat de aard en omvang van betaalde extra les aan leerlingen in kaart is gebracht. Het CBS becijferde in 2016 wel dat de uitgaven hieraan tussen 2000 en 2015 meer dan verviervoudigd zijn.

Schaduwonderwijs is een van de oorzaken van de toegenomen kansenongelijkheid in het onderwijs, schreef de Inspectie van het Onderwijs in 2016. Nu opleidingsniveau bepalender wordt voor kansen in de samenleving, proberen ouders hun kind op een zo hoog mogelijk niveau te laten slagen – vooral hoogopgeleiden, die dat kunnen betalen. Goedkope varianten van huiswerkbegeleiding kosten al 100 à 200 euro per maand.

Hoe hoger het opleidingsniveau of inkomen van de ouders, hoe groter de kans dat een leerling betaalde extra begeleiding krijgt, blijkt uit het onderzoek, waarvoor zowel kwantitatieve als kwalitatieve methoden zijn gebruikt. Bij alle vormen van betaalde ondersteuning is de deelname van leerlingen met universitair geschoolde ouders significant hoger.

Kinderen met laagopgeleide ouders maken juist vaker gebruik van onbetaalde extra les, bijvoorbeeld via de school. Als het betaalde en onbetaalde schaduwonderwijs bij elkaar worden opgeteld, is er geen groot verschil in deelname tussen leerlingen met lager of hoger opgeleide ouders, schrijven de onderzoekers.

Minister Arie Slob (Onderwijs, ChristenUnie) schrijft in een reactie dat de financiële omvang van schaduwonderwijs beperkt is. Ook is, gelet op het toezicht van de Inspectie, voor „een algeheel kwaliteitsgebrek” geen grond. „Een verklaring zou daarom kunnen zijn dat ouders vragen om meer maatwerk voor hun kind, hoewel zeker ook andere motieven een rol spelen, zoals toegenomen prestatiedruk of dat ouders bijles en huiswerkbegeleiding zien als een nuttige vorm van opvang.”

Strijd tussen realistisch en traditioneel rekenen

De methode van directe instructie is weer terug. Na een periode van ‘ontdekkend leren’, waarbij de leraar slechts coach is, mag de leraar nu weer eerst zelf vertellen, waarna de leerling met de opgedane kennis verder kan.

Volgens de cognitieve psychologie heeft een leerling kennis nodig om een probleem overzichtelijk te maken. „Het kortetermijngeheugen is maar beperkt. Als een leerling zonder voorkennis een probleem moet oplossen, raakt dat geheugen overbelast”, zegt Paul Kirschner, universiteitshoogleraar in de onderwijspsychologie aan de Open Universiteit. Daarnaast raakt een leerling volgens hem gemotiveerd als die door herhaalde oefening het gevoel krijgt de stof te beheersen. De leraar moet dan meer zijn dan alleen coach.

Het oefenen, in hedendaags jargon ‘automatiseren’, was er sinds de jaren negentig op veel scholen bij ingeschoten. Nu is er op veel scholen sprake van een terugkeer naar vormen van klassikale instructie. Wetenschappelijk onderzoek stuurt deze trend.

Hattie deelt in het boek Leren zichtbaar maken bewezen leermethoden in naar rangorde van effectiviteit. „We moeten veel herhalen voor we meer complexe taken kunnen leren. Dit is een belangrijke reden waarom we expliciete instructie nodig hebben”, schrijft hij. Een goede leraar moet volgens hem expertise hebben in „veelvuldige” leerstrategieën die zich hebben bewezen. Directe feedback bijvoorbeeld.

Realistisch rekenen

Veel van deze technieken zijn voor de leraren nieuw. Zij hebben behoefte aan houvast omdat in het rekenen veel is veranderd. Zo werd vanaf eind vorige eeuw het realistisch rekenen ingevoerd: om inzicht te krijgen moeten kinderen dan zelf een oplossingsstrategie bedenken. Hoe zou je 2.056 door 28 delen? Leerlingen krijgen dan geen staartdeling maar moeten zelf eerst over stappen nadenken.

Deze methode werd vanaf de jaren zeventig ontwikkeld door het Freudenthal Instituut van de Universiteit Utrecht, voor het bèta-onderwijs. Hoewel dat niet de bedoeling was, leerden op veel scholen de leerlingen de tafels van vermenigvuldiging niet meer van buiten. Door een eigen rekenstrategie kunnen ze die omzeilen. In plaats van de uitkomst van zes maal acht automatisch op te dreunen kun je een tussenstap nemen door eerst vijf maal acht te nemen en daar dan nog een keer acht bij op te tellen. Zo’n tussenstap biedt rekeninzicht maar kost meer tijd dan van buiten kennen. Het realistisch rekenen kent veel van dergelijke stappen. Realistische oplossingen bevatten daarom vaak veel meer getallen dan traditionele. Begeleiding moet voorkomen dat leerlingen te omslachtig rekenen.

Realistisch werden ook de opgaven. Rekenen werd minder abstract. In de rekenboeken verschenen minder rijtjes oefensommen met alleen getallen. De opgaven kwamen uit de praktijk: hoeveel kost deze mand vol boodschappen? Wat zijn de gemiddelde kosten per item?

Het realistisch rekenen kwam in de jaren negentig goed op gang. Bij de invoering van de euro in 2002 gingen de basisscholen er massaal toe over. De bestaande boeken die nog met guldens rekenden, waren verouderd, dus er werden nieuwe lesmethodes aangeschaft. De Inspectie van het Onderwijs en onderwijsbegeleiders oefenden druk uit op scholen om tot realistisch rekenen over te gaan. Realistische vaardigheden kwamen in de kerndoelen van het basisonderwijs.

Traditioneel rekenen

Inmiddels is de strijd tussen beide stromingen in het rekenonderwijs aan het wegebben. Bij de nieuwe lesmethodes voor realistisch rekenen is meer aandacht voor oefenen.

De commissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen zag dat vooral zwakke leerlingen minder baat hebben bij vrije instructie en meer behoefte aan een sturende rol van de leraar. De commissie pleitte voor „meer rust in de presentatie en meer aandacht voor oefenen en het onderhouden van basale vaardigheden en cijferen”.

Daar zijn de voorstanders van realistisch rekenen het nu ook mee eens. Marc van Zanten, verbonden aan het Freudenthal Instituut en aan de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO), schreef in een leskatern voor pabostudenten dat het idee „dat oefenen niet meer belangrijk is” soms is „doorgeschoten”. Ook werd soms te weinig gecontroleerd of de zelf bedachte rekenstrategieën van leerlingen effectief waren: „Vooral zwakke rekenaars zien dan door de bomen het bos niet meer.”

Volgens Treffers van het Freudenthal Instituut gebruikt nog wel zeker zo’n 90 procent van de basisscholen een realistische methode. Maar zeker eenderde van de nieuwe schoolbestellingen van nieuwe rekenboeken bestaat uit de methode Getal en ruimte Junior, met rijen traditionele oefensommen met getallen. Ook in de nieuwe realistische rekenboeken zijn meer getallensommen te vinden.

Volgens Van Zanten zegt de keuze van de lesboeken niet alles over het rekenonderwijs op een school: „Er is een verschil tussen oorspronkelijke ideeën, hoe die worden uitgewerkt en wat er in de klas mee gebeurt.” Leraren houden zich vaak niet aan het schoolboek. Als leerlingen de taal van ‘verhaaltjessommen’ niet begrijpen, krijgen ze abstracte opgaven.

Bron: nrc.nl

Dyslexie-epidemie

Volgens Anna Bosman, hoogleraar leren en ontwikkeling aan de Radboud Universiteit Nijmegen, is er wel sprake van een ‘epidemie’ van dyslexie. Steeds meer leerlingen krijgen een dyslexieverklaring, die recht geeft op bijles en extra tijd om examens te maken. De diagnose wordt vaak onterecht gegeven, zegt Bosman.

Als scholen beter lesgeven, kunnen ze volgens haar het percentage leerlingen met dyslexie sterk reduceren.

Zelfs studenten met een vwo- en havo-diploma hebben vaak onvoldoende taalvaardigheden in zinsontleding, zinsbouw en spelling voor het hoger onderwijs. Verscheidene hogescholen en universiteiten zijn begonnen met het toetsen en bijspijkeren van eerstejaars voor ze aan hun studie beginnen, omdat het proza in schrijfopdrachten vaak belabberd is.

Er zijn mensen die denken dat rekenen en taal minder hard nodig zijn omdat de computer schrijf- en rekenfouten automatisch kan verbeteren. Maar vaardigheden in rekenen en taal zijn nog steeds van groot belang, zeggen onderwijsspecialisten en werkgevers. Volgens het Platform Onderwijs 2032 is een goede beheersing van de Nederlandse taal „de sleutel tot participatie in de samenleving en van grote invloed op iemands persoonlijk welzijn en zijn succes op de arbeidsmarkt”. In zijn advies aan het kabinet, over een nog in te voeren vernieuwing van het vakkenpakket voor basis- en middelbare scholen, schrijft het platform ook: „Rekenvaardigheid, inclusief wiskunde, is onmisbaar om in de samenleving te kunnen functioneren en deel te nemen aan vervolgonderwijs.”

Bron: nrc.nl

Rekenen wordt minder, taal gaat niet vooruit

Stand van het taal- en rekenonderwijs

Rekenen en taal zijn basisvakken, vindt de overheid, ook in het computertijdperk. Maar Nederlandse kinderen rekenen steeds slechter en het percentage dyslectici is te hoog.

Volgens Cihangir, een universitair geschoolde wiskundige, moet en kan iedereen de rekenkundige basisbewerkingen beheersen. Talent is daarvoor niet nodig, zegt hij. De wiskundeknobbel is een mythe. Met een uurtje oefenen per dag kan ieder kind binnen vier tot acht weken alle bewerkingen beheersen. Trainen vergroot de gelijkheid in het onderwijs.

Rekentoets

Sinds 2003 daalden de Nederlandse rekenprestaties in internationale vergelijkingen van de club van rijke landen OESO en van de International Association for the Evaluation of Educational Achievement (IEA). Leraren in het middelbaar onderwijs klagen over de gebrekkige rekenkennis van de leerlingen die net van de basisscholen komen. De Inspectie van het Onderwijs doet onderzoek naar wat ze ziet als de „neergaande trend” in reken- en wiskunde-onderwijs.

Om de prestaties te verbeteren, werd in 2014 een verplichte rekentoets ingevoerd voor alle eindexamenleerlingen vmbo, havo, vwo en mbo. Middelbare scholen stelden rekenleraren aan om de lesstof van de basisschool weer op te vijzelen.

Bij een aantal opgaven van de rekentoets mochten leerlingen de rekenmachine gebruiken, bij sommige opgaven niet. Veel leerlingen bleken het hoofdrekenen niet goed te beheersen, omdat ze de rekenmachine gewend waren. Op het vwo haalde de meerderheid de rekentoets wel, maar op het vmbo, de havo en het mbo niet. Daar werd besloten de toets niet te laten meetellen voor het eindexamen. Inmiddels heeft het kabinet besloten de toets ook niet meer voor het vwo-eindexamen te laten meetellen. Er wordt nagedacht over een betere toets.

Op het gebied van taal is geen sprake van een uitgesproken daling van de prestaties. Uit de vorig jaar uitgekomen internationale Pisatest bleek weliswaar dat het percentage laaggeletterde 15-jarige leerlingen in Nederland sinds 2003 is gestegen van 12 tot 18 procent, maar dat hangt volgens deskundigen ook samen met een andere wijze van toetsen. De vorige maand gepubliceerde Pirlstest, een internationale leestest, gaf aan dat Nederlandse basisschoolkinderen van tien jaar niet slechter zijn gaan lezen. Toch is Nederland gezakt op de internationale ranglijst, want andere landen zijn het beter gaan doen. Er is ongelijkheid in het Nederlandse onderwijs, maar in de meeste andere landen is die groter. Zwakke leerlingen doen het relatief goed, maar er zijn steeds minder toppresteerders.

Kleinere klassen, betere lezers

Er zijn verschillende factoren bekend die het niveau van taal en rekenen in de klas beïnvloeden.

De kennis van de leraar

Sinds 2008 zijn er meer toelatingseisen voor de pabo. Basisschoolleraren hadden vaak weinig kennis of waren niet goed in spellen en rekenen. Degenen die bepaalde vakken niet in het eindexamenpakket hadden, moeten daar nu een toets in doen om te worden toegelaten. Om het niveau verder te verhogen is de Radboud Universiteit Nijmegen begonnen met een academische opleiding tot basisschoolleraar.

De grootte van de klas

Met kleinere klassen is het makkelijker om meer aparte aandacht te geven aan leerlingen, te diversifiëren dus. In grote klassen krijgen zwakke leerlingen veel aandacht, sterke veel minder. Maar als er te weinig leraren zijn, zoals nu, kunnen klassen niet worden verkleind.

De lesmethode

Er zijn allerlei methoden waarvan wetenschappelijk bewezen is dat ze werken. Zo is het goed om de stof binnen een week nog eens te herhalen in de vorm van vragen of opgaven. En een leerling kan beter eerst uitleg krijgen voor hij wordt losgelaten op een nieuw probleem.

Samenstelling van de klas

Menging van kinderen uit kansarme en kansrijke milieus stimuleert maar tot op bepaalde hoogte. Volgens het recent uitgekomen internationale Pirls leesonderzoek 2016 halen scholen met meer dan 25 procent van de leerlingen uit een economisch achtergesteld gezin de laagste leesvaardigheidsscores.

Bron: nrc.nl

Leren om te leren

Wist u dat er een methode bestaat om kinderen aan te leren hoe ze het beste kunnen leren? Deze methode is wetenschappelijk effectief bewezen en leert kinderen aan om beter hun geheugen te gebruiken.

Met deze methode, genoemd de LEREN LEREN methode, wordt beeld en taal gecombineerd en wordt optimaal gebruik gemaakt van de mogelijkheden van het brein. De kinderen onthouden de leerstof makkelijker en sneller. Met oefeningen en het aanleren van geheugentechnieken ontstaat inzicht in de werking van de hersenen.

De technieken van de LEREN LEREN Methode zijn in een kort tijdsbestek van enkele uren aan te leren en toe te passen tijdens het gehele verdere (school) leven. Een korte, effectieve investering in je toekomst!

Het Bijleslokaal biedt de training aan in 3 sessies van 1,5 uur.

Lees meer

Leraren basisonderwijs staken op 5 oktober

Leraren in het basisonderwijs leggen op 5 oktober opnieuw het werk neer. Ze eisen extra geld van de politieke partijen die in Den Haag praten over een nieuw kabinet. Volgens de actievoerders zijn de bedragen die nu de ronde doen “een doekje voor het bloeden”.

De leraren legden in juni al een uur het werk neer; ditmaal gaan ze een hele dag staken. Ze willen extra geld om het verschil in beloning tussen leraren in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs kleiner te maken. Ook willen ze dat er meer leraren aangenomen worden, zodat de werkdruk omlaag gaat.

Volgens Thijs Roovers van de actiegroep PO in Actie is de actiebereidheid sinds juni alleen maar groter geworden “Er zijn leden die zeggen: laten we de scholen een week dichtgooien. We hebben er geen vertrouwen in dat er in een nieuw regeerakkoord voldoende geld wordt uitgetrokken.”

1,4 miljard

De actiegroep stelt dat er 900 miljoen euro nodig is voor de salarissen en 500 miljoen om de werkdruk te verlagen. De afgelopen maanden eiste vicepremier en PvdA-leider Asscher geld voor de lerarensalarissen in het basisonderwijs, tot irritatie van coalitiepartner VVD.

Asscher ging uiteindelijk akkoord met de belofte dat het volgende kabinet een ‘substantieel’ bedrag uit zal trekken voor de leraren in het basisonderwijs. Een bedrag werd daarbij niet genoemd, maar Asscher wilde eerder 275 miljoen euro.

Ook de vakbonden en de werkgevers in het basisonderwijs ondersteunen de actie. Woordvoerder Roovers verwacht dat een overgrote meerderheid van de basisscholen op 5 oktober de deuren zal sluiten.

Bron: nos.nl

Onderwijsinspectie houdt rekenen en wiskunde tegen het licht

De Inspectie van het Onderwijs gaat volgend jaar onderzoeken wat de oorzaak is van het dalende niveau van het reken- en wiskundeonderwijs in Nederland.

De inspectie wil meer inzicht krijgen in de vraag “welke oorzaken een rol spelen bij de neergaande trend. Het niveau van het reken- en wiskundeonderwijs staat onder druk.”

Het is niet zo dat het rekenonderwijs in Nederland echt slecht te noemen is. “Het basisniveau is prima in orde”, licht een woordvoerder van de Inspectie toe. “Maar we hebben minder uitschieters naar boven dan andere landen. We willen weten hoe dat komt en wat we er aan kunnen doen.”

Tafels stampen

In De Telegraaf suggereert onderwijsexpert Marcel Schmeier dat een serieus probleem is dat er geen tafels meer worden gestampt, zoals vroeger het geval was. Sinds 2004 wordt op basisscholen de methode van het ‘realistisch rekenen’ toegepast.

Dit betekent globaal dat moeilijke sommen worden uitgelegd aan de hand van verhaaltjes. Dit zijn ook het soort opdrachten dat de laatste jaren domineert in Cito-toetsen in het voortgezet onderwijs.

Achterhaald

De Inspectie beklemtoont dat de discussie over het nut en de noodzaak van ‘realistisch rekenen’ achterhaald is. “Je ziet juist dat de afgelopen jaren het realistisch rekenen en de oude vorm van rekenonderwijs, dus het tafels stampen, meer naar elkaar toegroeien”, aldus de zegsman.

Het is gebruikelijk dat de Inspectie eens in de zoveel jaar bepaalde belangrijke vakken tegen het licht houdt. Maar het ontbreken van ‘piekleerlingen’ heeft er wel voor gezorgd dat rekenen en wiskunde in 2018 prioriteit hebben gekregen.

Bron: NU.nl