Cursussen bij BSO Tiens Bussum

In oktober 2018 is Het Bijleslokaal gestart met een typecursus bij op de locatie van Tiens, de naschoolse SKBNM voor tieners  in Bussum.

Aan deze eerste cursus doen 6 enthousiaste leerlingen mee: jongens en meisjes uit groep 7, groep 8 en de brugklas. Op 31 januari zullen zij het examen maken en hopelijk allemaal het typediploma halen!

De week erna gaat een nieuwe typecursus van start. Op 14 januari 2019 start de Engelse cursus met 5 leerlingen.

Meer info over de Tiens cursussen vindt u hier.

Training Leren Leren op basisschool Naarden

In juni zal Het Bijleslokaal de training ‘Leren leren’ verzorgen voor geheel groep 8 van een basisschool in Naarden. Dit op initiatief van enkele ouders en in samenwerking met het bestuur van de school.

De training ‘Leren leren’ is een goede voorbereiding op de brugklas en is voor alle kinderen geschikt, of ze nu in beeld of in taal denken. Het geeft hen houvast in het leren van stof en het slim gebruiken van je geheugen. Ook het plannen komt aan bod.

Nieuw: Sta Sterk! training in Naarden

De Sta Sterk! training is erop gericht om de sociale weerbaarheid van kinderen te vergroten. Zo leren zij voor zichzelf opkomen in onaangename situaties zoals bij pesten, uitschelden, uitlachen, bedreigende opmerkingen, buitensluiten en negeren.

Deelname aan de training is in groepsniveau of individueel. Op vrijdag 18 mei vindt de eerste training plaats.

Eerste typecursus van 2018 afgerond: alle kinderen diploma

Op maandag 16 april vond het type-examen plaats. In plaats van het gewoonlijke vrolijke geroezemoes van de leerlingen, heerste nu doodse stilte. Geconcentreerde gezichtjes met rode wangen, iedereen deed zijn opperste best. En met resultaat: alle 7 geslaagd. En hoe, allemaal ruim boven de 100 aanslagen per minuut en ruim onder de 2% fout.

Gefeliciteerd leerlingen, jullie zijn toppers!

5 veelgestelde vragen over Cito-scores

De meeste basisschoolkinderen in Naarden, Bussum en omstreken hebben inmiddels hun 2e rapport ontvangen. Soms zijn de resultaten op het 2e rapport ronduit verrassend in vergelijking met rapport nummer 1 van dat schooljaar of ten opzichte van de methodetoetsen. Hoe komt dat toch?

Waarom zijn de Cito-scores soms lager dan de cijfers die de juffen en meesters op het rapport geven? 

Naast dat een kind een keer zijn dag niet heeft, afgeleid, moe of niet lekker is, noemen wij de meest voorkomende redenen waarom uw kind lager scoort op de Cito-toets dan u had verwacht:

  • Cito-toetsen beslaan de leerstof van de gehele periode, eigenlijk is het een proefwerk over alles wat uw kind geleerd heeft tot nu toe. De cijfers die op het rapport worden gegeven zijn veelal voor methode gebonden toetsen uit de boeken waarmee de leerlingen werken. Per toets wordt slechts een onderdeel van de stof behandeld. Soms beheersen kinderen de stof op dat toetsmoment prima, maar als alle stof ineens tegelijk wordt getoetst (zoals bij de Cito-toets), raken zij in verwarring.
  • De Cito-toets is een moment opname, maar geen onbelangrijke. Door alle jaren heen, is er zeker een rode draad te zien in de resultaten van de Cito-toetsen. Als uw kind steevast slecht scoort bij Cito-toetsen en goed scoort bij methodegebonden toetsen, dan is dat wel iets om nader te bekijken.
  • Omdat de Cito vraagstelling anders is en er ook meer inzicht op rekengebied wordt gevraagd van een kind, kan de score daar lager zijn. De ‘verhaaltjessommen’ zijn voor een kind heel anders dan de ‘gewone’ sommen, die zij in de klas oefenen. Het omzetten van het verhaal naar de som is voor veel kinderen een probleem. De vaardigheid om deze vraagstelling te snappen, kan aangeleerd worden.
  • Onder andere bij de Cito-toets begrijpend lezen moeten kinderen zich goed concentreren, want er staan vragen in die uw kind gemakkelijk om de tuin kunnen leiden. Als uw kind snel is afgeleid of de toets in een sneltreinvaart maakt, kunt u er zeker van zijn dat veel vragen niet goed gelezen worden.
Tijdens het tweede 10-minutengesprekje in het schooljaar blijkt het toch minder goed te gaan met uw kind dan u verteld was. Hoe kan dat ineens?

Veel van dit soort problemen ontstaan door slechte communicatie. De leerkracht kan tevreden zijn met de prestaties en het gedrag van de leerling, maar zal wel duidelijk moeten maken waarmee hij/zij tevreden is. Als tijdens een eerste rapportgesprek wordt aangegeven dat de leerkracht de prestaties van de leerling ‘goed’ vindt, is dat wat een leerkracht ‘goed’ vindt, in uw beleving wellicht matig.

Een leerkracht maakt vaak een inschatting gebaseerd op de resultaten van voorafgaande jaren. Op sommige scholen wordt er in groep 4 een capaciteitentoets afgenomen zodat een leerkracht ook twijfelgevallen beter kan beoordelen. Wanneer je ziet dat een leerling hard werkt, instructies hard nodig heeft, soms ook een extra uitleg of extra oefening, dan ben je als leerkracht in principe tevreden wanneer deze leerling ‘voldoende scoort’. Kun je dan ook zeggen dat het ‘goed’ gaat? Ja, want je hebt als leerkracht het gevoel dat ‘eruit komt wat erin zit’.

Tip: Vraag bij de gesprekjes door naar welke cijfers de leerkracht mag verwachten van uw zoon/dochter.

Wat is het gemiddelde niveau van Cito-scores in Nederland?

Bij de indeling met de cijfers I t/m V wordt uitgegaan van 5 groepen van 20%.

I – 20% – ver boven het gemiddelde
II – 20% – boven het gemiddelde
III – 20% – de gemiddelde groep leerlingen
IV – 20% – onder het gemiddelde
V – 20% – ver onder het gemiddelde

In Nederland kennen we vier niveaus van voortgezet onderwijs:

  • praktijkonderwijs
  • vmbo
  • havo
  • vwo

Respectievelijk gaat ongeveer 20% van de leerlingen naar de havo, eveneens 20% naar het vwo en het overige en tevens grootste deel (60%) van de kinderen naar vmbo of praktijkonderwijs.

Het Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, afgekort tot vmbo, kent vier soorten leerwegen: Basisberoepsgerichte leerweg (bb), Kaderberoepsgerichte leerweg (kb), Gemengde leerweg (gl) en Theoretische leerweg (tl). Ook bestaat er daarnaast Leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) voor kinderen die extra hulp nodig hebben. Als het vmbo te moeilijk is voor een kind om met goed gevolg een diploma ervan te halen, dan is het praktijkonderwijs.

Helpt het om te oefenen voor de Cito-toets?

Steeds meer scholen laten leerlingen oefenen voor de Cito-toets, maar ook als ouder kan je samen je kind voor deze toets oefenen. Bedenk dat de Cito-toets geen IQ-toets is, maar een toets waarbij wordt nagegaan in welke mate leerlingen bepaalde vaardigheden beheersen (taal, studievaardigheden en rekenen). Vaardigheden kan je aanleren met voldoende oefening. Het is dus zeker mogelijk om een hogere Cito-score te halen door voor de toets te oefenen. 

De Cito-toets wordt afgenomen in multiple choice vorm. Veel voorkomende fouten zijn slordig lezen, te snel antwoorden, te lang twijfelen en op de valreep antwoorden veranderen. Kinderen kunnen ervaring opdoen met het kiezen uit meerdere antwoorden waarbij er meestal twee goed lijken te zijn.

Oefenen, maar hoe?

Via internet zijn talloze manieren om Cito-toetsvragen te maken. Of u kunt Cito-oefenboekjes aanschaffen. Enkele tips:
leestrainer.nl, redactiesommen.nl, sommenfabriek.nl, oefenplein.nl, kids4cito.nl

Belangrijk: ga er samen met uw kind voor zitten en ontdek waar het probleem zit.

Mist uw kind instructie? Overleg met de leerkracht of er extra hulp op school mogelijk is. Probeer erachter te komen welk gedeelte van de stof het kind niet snapt.

Is uw kind slordig, gehaast of snel afgeleid? Zorg dan voor een rustige plek in huis en oefen op een afgebakend tijdstip (een kwartiertje oefenen voor het eten). Laat hem/haar gemaakte vragen altijd nakijken in plaats van als een razende er doorheen te lopen. Veel slordige foutjes voorkom je hiermee.

Wissel af, maak het ‘leuk’. Heeft uw kind bijvoorbeeld een hekel aan deelsommen maar kan hij/zij keersommen wel goed? Laat hem/haar dan moeilijke met gemakkelijke sommen afwisselen en geef complimenten als het goed gaat.

Beloon! Laat uw kind bijvoorbeeld 10 sommen maken en als er 8 goed zijn mag jij/zij stoppen met oefenen. Stickers doen het ook goed.

Wilt u het structureel aanpakken, dan biedt Het Bijleslokaal graag ondersteuning.

Waar die komen toch al dyslectische leerlingen vandaan?

In Nederland hebben meer leerlingen dan waar ook ter wereld dyslexie. In het voortgezet onderwijs poppen dyslectische leerlingen in groten getale op.

De meeste Nederlandse kinderen houden niet van een boek lezen. Ze houden zich liever bezig met social media zoals Snapchat en Instagram en kijken liever een filmpje op Youtube dan dat ze een boek openslaan. Minder boeken lezen resulteert in een opvallend lage woordenschat. Ook kunnen kinderen hierdoor minder snel lange teksten lezen en begrijpen, ze worden ‘leeslui’.

Leraren maken zich zorgen om de kinderen die hun proefwerken niet op tijd afkrijgen. Ze zoeken naar oplossingen. Ouders krijgen daarom het advies om hun kind te laten testen op dyslexie. Kinderen vinden dat niet per definitie erg; met een dyslexieverklaring krijgen ze extra tijd om hun proefwerk te maken. En het mooiste van alles: ze krijgen ook meer tijd tijdens hun eindexamens (conform Art. 55 Examenbesluit vo).

Dus ouders … we moeten de kinderen meer aan het lezen krijgen! Zelfs voorlezen draagt bij aan beter kunnen lezen. Daar zijn ze veelal beter mee geholpen dan met een diagnose dyslexie.

Themaonderzoek Dyslexie

Momenteel voert Onderwijsinspectie bij 200 basisscholen een themaonderzoek uit naar dyslexie. Ze richten ons in het onderzoek vooral op de verschillen in aantallen dyslexieverklaringen tussen scholen en op de mogelijke oorzaken daarvan. Hierbij besteden ze aandacht aan de kwaliteit van het technisch lees- en spellingonderwijs en aan andere factoren die mogelijk een rol spelen bij de diagnose dyslexie. De uitkomsten van het onderzoek rapporteren ze om eind 2018 in een landelijk rapport en in 2019 in het jaarlijkse rapport over de Staat van het Onderwijs.

Bron: onderwijsinspectie.nl

Weer een staking, ouders roeren zich in het debat

Een groeiende groep ouders roeren zich in het debat over het lerarentekort in het basisonderwijs. Ze tekenen petities, lopen mee in de demonstraties of verenigen zich. Daarmee willen ze de eisen van leraren (minder werkdruk en een hoger salaris) kracht bijzetten en tegelijkertijd opkomen voor de belangen van hun eigen kinderen.

Niet alle ouders scharen zich achter de stakingen. Uit peilingen van informatiepunt Ouders & Onderwijs bleek dat de draagkracht afneemt. Waar de eerste grote staking op 5 oktober nog steun kreeg van 83 procent van de ouders, nam die bij de staking in december af naar 48 procent. De eerste estafettestaking, op 14 februari van dit jaar, kon weer op 67 procent steun rekenen – mogelijk ook omdat de actie lokaal is en geen landelijke impact heeft. ‘De tendens is dat ouders het werkdruk-element steunen, maar minder begrip opbrengen voor de salaris-eis’, zegt Marieke Boon van Ouders & Onderwijs. Ze merkt bij ouders een groeiende behoefte om mee te denken en praten over oplossingen.

Bron: Volkskrant

Leidt schaduwonderwijs tot tweedeling?

Woensdag 8 maart jl. bogen Tweede Kamerleden zich over een rapport over schaduwonderwijs, zoals het aanbod van examentrainingen, bijles en huiswerkbegeleiding heet. De grote vraag: leiden de private diensten tot een tweedeling in de maatschappij?

Eerst de cijfers. Van alle vormen van schaduwonderwijs is bijles het meest populair: ruim een vijfde van de middelbare scholieren maakte hier vorig schooljaar gebruik van. Meer dan de helft daarvan was betaald. Op twee staat huiswerkbegeleiding, waar 17% van de leerlingen naartoe gaat. Ook hier is ongeveer de helft betaald.

Examentrainingen zijn vooral in trek bij havo- en vwo-scholieren. Een derde van de examenleerlingen volgde een betaalde training. In totaal heeft 31% van alle ouders met één of meer kinderen op de middelbare school voor schaduwonderwijs betaald.

Volgens Paul Bisschop van SEO Onderzoek, een van de auteurs van het rapport, betalen hoogopgeleide ouders vaker voor schaduwonderwijs dan laagopgeleide ouders. ‘Dat kan leiden tot ongelijkheid.’ Maar, voegt hij daar snel aan toe: ‘Kinderen van laagopgeleide ouders maken vaker gebruik van het onbetaalde aanbod van scholen. Dat lijkt elkaar in evenwicht te houden. Of er verschil is in kwaliteit en effectiviteit weten we niet.’

Verborgen privatisering

Louise Elffers van de Universiteit van Amsterdam doet al jaren onderzoek naar kansenongelijkheid in het onderwijs en waarschuwt voor ‘verborgen privatisering.’ Dat betekent dat scholen publieke onderwijstaken, zoals extra uitleg of voorbereiding voor een toets, overhevelen naar private partijen.

‘Je ziet dat private aanbieders via de achterdeur scholen binnenkomen’, zegt Elffers. ‘Scholen werken steeds vaker samen met private partijen voor de begeleiding voor leerlingen. Scholieren die bijvoorbeeld extra aandacht of begeleiding nodig hebben, worden door de docent bijvoorbeeld doorverwezen naar bijles.’

Elffers benadrukt dat het niet erg is als scholen met bedrijven samenwerken. Maar dan wel op een belangrijke voorwaarde: ‘Een school moet verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit en geen geld voor de begeleiding vragen. Dat is nu wel vaak het geval en dat is problematisch. Want als ouders niet kunnen of willen betalen, blijft een leerling verstoken van dit soort begeleiding.’

Bij SSL in Leiden volgt de helft van de 5000 deelnemers die de stichting jaarlijks helpt een training op advies van de school, zegt oprichter Hans Huibregtse. Mentoren sturen hun leerlingen zelfs brieven met informatie over het trainingsaanbod. Hij glimlacht. ‘Twintig jaar geleden werd SSL nog gezien als bemoeial.’

Leerlingen willen aandacht

Huibregtse kijkt met een gemengd gevoel naar de groeiende vraag naar zijn trainingen. De stichting hielp vroeger vooral leerlingen met een achterstand. Nu staat meer dan de helft van de deelnemers een voldoende.

Zijn conclusie: ‘Leerlingen willen feedback en persoonlijke aandacht. Dat kan het onderwijs momenteel niet altijd leveren door de hoge werkdruk, het lerarentekort en onvoldoende middelen. De samenwerking met aanbieders zoals wij kan een tijdelijke oplossing zijn. Maar het lost de structurele problemen in het onderwijs niet op.’

Onderwijskundige Elffers vindt de conclusie dat het reguliere onderwijs faalt te gemakkelijk.

‘Schaduwonderwijs is een symptoom van toegenomen competitie in het onderwijs. Het onderwijsniveau is steeds bepalender voor de rest van je leven. Ouders willen dus zeker weten dat de school alles uit hun kind haalt. Daar moeten scholen in meebewegen. De vraag die scholen, ouders en de Tweede Kamer zichzelf moeten stellen is: hoe voorkomen we dat schaduwonderwijs überhaupt nodig is? Want als schaduwonderwijs eenmaal standaard is, durven ouders en leerlingen niet meer zonder.’

De ‘huiswerkvrije’ school

Kunnen scholen het schaduwonderwijs te lijf gaan? Ja, zeggen ze op de Mavo Doorn. Sinds dit schooljaar is de school ‘huiswerkvrij’.

Sinds de wijziging is het aantal leerlingen dat naar een privaat huiswerkinstituut gaat afgenomen, zegt directeur Jenny Oldenhuis. ‘Het is eigenlijk raar dat zoveel leerlingen naar huiswerkbegeleiding moeten. Dat hebben we als persoonlijk falen opgevat. Want als school is het onze taak om leerlingen uit te leggen hoe ze kunnen leren. En dat is per leerling verschillend.’

Sinds de school ‘huiswerkvrij’ is, ziet het rooster er anders uit. Leerlingen hebben bijvoorbeeld negen tot vijftien ‘flexuren’ om huiswerk te maken, aan een docent extra uitleg te vragen over een vak of in stilte te werken. Algemene vakken zoals Nederlands duren voortaan 80 minuten in plaats van een uur. Oldenhuis: ‘Daardoor heeft een docent meer tijd om leerlingen te coachen.’

Klachten

Niet alle leerlingen vinden de verandering een succes. Na klachten is het aantal flexuren voor de bovenbouw gereduceerd naar vijf. Leerlingen hadden niet zoveel uur nodig of willen juist wel huiswerk thuis maken. Echt huiswerkvrij is de school dus niet.

De belangrijkste verandering is dat docenten nadenken over de vraag hoe ze leerlingen kunnen helpen om de lesstof te leren. Bijvoorbeeld door niet alles klassikaal uit te leggen, maar in groepjes te werken.

De veranderingen hebben geen geld gekost, zegt Oldenhuis. ‘Dit gaat niet om geld, maar om een andere manier van lesgeven. We hebben het onderwijs gewoon anders georganiseerd. Daar hebben scholen alle ruimte voor.’

Bron: FD – 7 maart 2018

Ruim helft ouders verwijt school gebrek aan aandacht

Meer kinderen krijgen bijles en begeleiding. Vooral hoogopgeleiden betalen hiervoor, zodat de kansenongelijkheid groeit.

Bijna eenderde van de ouders met kinderen op de middelbare school maakte vorig schooljaar kosten voor bijles, examentraining of huiswerkbegeleiding. Dat kostte naar schatting in totaal 185 tot 286 miljoen euro. Vooral kinderen van hoogopgeleide ouders krijgen betaalde extra begeleiding. Meer dan de helft van de ouders denkt dat hun kind geen bijles nodig had gehad als hij of zij meer persoonlijke aandacht op school had gekregen.

Dat blijkt uit onderzoek van SEO Economisch Onderzoek en Oberon naar het ‘schaduwonderwijs’ in Nederland, in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het is voor het eerst dat de aard en omvang van betaalde extra les aan leerlingen in kaart is gebracht. Het CBS becijferde in 2016 wel dat de uitgaven hieraan tussen 2000 en 2015 meer dan verviervoudigd zijn.

Schaduwonderwijs is een van de oorzaken van de toegenomen kansenongelijkheid in het onderwijs, schreef de Inspectie van het Onderwijs in 2016. Nu opleidingsniveau bepalender wordt voor kansen in de samenleving, proberen ouders hun kind op een zo hoog mogelijk niveau te laten slagen – vooral hoogopgeleiden, die dat kunnen betalen. Goedkope varianten van huiswerkbegeleiding kosten al 100 à 200 euro per maand.

Hoe hoger het opleidingsniveau of inkomen van de ouders, hoe groter de kans dat een leerling betaalde extra begeleiding krijgt, blijkt uit het onderzoek, waarvoor zowel kwantitatieve als kwalitatieve methoden zijn gebruikt. Bij alle vormen van betaalde ondersteuning is de deelname van leerlingen met universitair geschoolde ouders significant hoger.

Kinderen met laagopgeleide ouders maken juist vaker gebruik van onbetaalde extra les, bijvoorbeeld via de school. Als het betaalde en onbetaalde schaduwonderwijs bij elkaar worden opgeteld, is er geen groot verschil in deelname tussen leerlingen met lager of hoger opgeleide ouders, schrijven de onderzoekers.

Minister Arie Slob (Onderwijs, ChristenUnie) schrijft in een reactie dat de financiële omvang van schaduwonderwijs beperkt is. Ook is, gelet op het toezicht van de Inspectie, voor „een algeheel kwaliteitsgebrek” geen grond. „Een verklaring zou daarom kunnen zijn dat ouders vragen om meer maatwerk voor hun kind, hoewel zeker ook andere motieven een rol spelen, zoals toegenomen prestatiedruk of dat ouders bijles en huiswerkbegeleiding zien als een nuttige vorm van opvang.”

Strijd tussen realistisch en traditioneel rekenen

De methode van directe instructie is weer terug. Na een periode van ‘ontdekkend leren’, waarbij de leraar slechts coach is, mag de leraar nu weer eerst zelf vertellen, waarna de leerling met de opgedane kennis verder kan.

Volgens de cognitieve psychologie heeft een leerling kennis nodig om een probleem overzichtelijk te maken. „Het kortetermijngeheugen is maar beperkt. Als een leerling zonder voorkennis een probleem moet oplossen, raakt dat geheugen overbelast”, zegt Paul Kirschner, universiteitshoogleraar in de onderwijspsychologie aan de Open Universiteit. Daarnaast raakt een leerling volgens hem gemotiveerd als die door herhaalde oefening het gevoel krijgt de stof te beheersen. De leraar moet dan meer zijn dan alleen coach.

Het oefenen, in hedendaags jargon ‘automatiseren’, was er sinds de jaren negentig op veel scholen bij ingeschoten. Nu is er op veel scholen sprake van een terugkeer naar vormen van klassikale instructie. Wetenschappelijk onderzoek stuurt deze trend.

Hattie deelt in het boek Leren zichtbaar maken bewezen leermethoden in naar rangorde van effectiviteit. „We moeten veel herhalen voor we meer complexe taken kunnen leren. Dit is een belangrijke reden waarom we expliciete instructie nodig hebben”, schrijft hij. Een goede leraar moet volgens hem expertise hebben in „veelvuldige” leerstrategieën die zich hebben bewezen. Directe feedback bijvoorbeeld.

Realistisch rekenen

Veel van deze technieken zijn voor de leraren nieuw. Zij hebben behoefte aan houvast omdat in het rekenen veel is veranderd. Zo werd vanaf eind vorige eeuw het realistisch rekenen ingevoerd: om inzicht te krijgen moeten kinderen dan zelf een oplossingsstrategie bedenken. Hoe zou je 2.056 door 28 delen? Leerlingen krijgen dan geen staartdeling maar moeten zelf eerst over stappen nadenken.

Deze methode werd vanaf de jaren zeventig ontwikkeld door het Freudenthal Instituut van de Universiteit Utrecht, voor het bèta-onderwijs. Hoewel dat niet de bedoeling was, leerden op veel scholen de leerlingen de tafels van vermenigvuldiging niet meer van buiten. Door een eigen rekenstrategie kunnen ze die omzeilen. In plaats van de uitkomst van zes maal acht automatisch op te dreunen kun je een tussenstap nemen door eerst vijf maal acht te nemen en daar dan nog een keer acht bij op te tellen. Zo’n tussenstap biedt rekeninzicht maar kost meer tijd dan van buiten kennen. Het realistisch rekenen kent veel van dergelijke stappen. Realistische oplossingen bevatten daarom vaak veel meer getallen dan traditionele. Begeleiding moet voorkomen dat leerlingen te omslachtig rekenen.

Realistisch werden ook de opgaven. Rekenen werd minder abstract. In de rekenboeken verschenen minder rijtjes oefensommen met alleen getallen. De opgaven kwamen uit de praktijk: hoeveel kost deze mand vol boodschappen? Wat zijn de gemiddelde kosten per item?

Het realistisch rekenen kwam in de jaren negentig goed op gang. Bij de invoering van de euro in 2002 gingen de basisscholen er massaal toe over. De bestaande boeken die nog met guldens rekenden, waren verouderd, dus er werden nieuwe lesmethodes aangeschaft. De Inspectie van het Onderwijs en onderwijsbegeleiders oefenden druk uit op scholen om tot realistisch rekenen over te gaan. Realistische vaardigheden kwamen in de kerndoelen van het basisonderwijs.

Traditioneel rekenen

Inmiddels is de strijd tussen beide stromingen in het rekenonderwijs aan het wegebben. Bij de nieuwe lesmethodes voor realistisch rekenen is meer aandacht voor oefenen.

De commissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen zag dat vooral zwakke leerlingen minder baat hebben bij vrije instructie en meer behoefte aan een sturende rol van de leraar. De commissie pleitte voor „meer rust in de presentatie en meer aandacht voor oefenen en het onderhouden van basale vaardigheden en cijferen”.

Daar zijn de voorstanders van realistisch rekenen het nu ook mee eens. Marc van Zanten, verbonden aan het Freudenthal Instituut en aan de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO), schreef in een leskatern voor pabostudenten dat het idee „dat oefenen niet meer belangrijk is” soms is „doorgeschoten”. Ook werd soms te weinig gecontroleerd of de zelf bedachte rekenstrategieën van leerlingen effectief waren: „Vooral zwakke rekenaars zien dan door de bomen het bos niet meer.”

Volgens Treffers van het Freudenthal Instituut gebruikt nog wel zeker zo’n 90 procent van de basisscholen een realistische methode. Maar zeker eenderde van de nieuwe schoolbestellingen van nieuwe rekenboeken bestaat uit de methode Getal en ruimte Junior, met rijen traditionele oefensommen met getallen. Ook in de nieuwe realistische rekenboeken zijn meer getallensommen te vinden.

Volgens Van Zanten zegt de keuze van de lesboeken niet alles over het rekenonderwijs op een school: „Er is een verschil tussen oorspronkelijke ideeën, hoe die worden uitgewerkt en wat er in de klas mee gebeurt.” Leraren houden zich vaak niet aan het schoolboek. Als leerlingen de taal van ‘verhaaltjessommen’ niet begrijpen, krijgen ze abstracte opgaven.

Bron: nrc.nl